Douwe Draaisma

Het verdriet van de kosmopoliet

Oratie bij de aanvaarding van het bijzonder hoogleraarschap Archief en Documentatiecentrum Nederlandse Gedragswetenschappen

Academische redevoeringen
https://www.nrc.nl/nieuws/2005/10/18/het-verdriet-van-de-kosmopoliet-11030394-a1314026

Het verdriet van de kosmopoliet

Mijnheer de Rector Magnificus,
leden van het College van Bestuur,
bestuursleden van het Archief- en Documentatiecentrum Nederlandse Psychologie,
zeer geachte toehoorders,

‘Niet zonder schroom neem ik mijn plaats in op deze katheder tegenover dit geleerde gehoor. Voor ons, Amerikanen, is de ervaring onderwezen te worden door Europeanen, hetzij mondeling, hetzij door middel van hun boeken, geenszins ongewoon. Aan mijn eigen Universiteit, die van Harvard’ – we bevinden ons in een citaat, zoals u al hebt geraden, en we gaan nog even door – aan Harvard dus ‘gaat er geen winter voorbij die niet zijn oogst oplevert aan voordrachten van Schotse, Engelse, Franse of Duitse vertegenwoordigers van de wetenschappen of de letteren van hun geboorteland, die wij ertoe hebben bewogen de Oceaan over te steken om ons toe te spreken. Voor ons is het de natuurlijkste zaak van de wereld dat wij luisteren, wanneer de Europeanen spreken. De tegenovergestelde gewoonte, dat wij spreken terwijl de Europeanen luisteren, hebben wij ons nog niet eigen gemaakt; en wie dit avontuur voor het eerst overkomt heeft het gevoel zich te moeten verontschuldigen voor een zo impertinente daad.’

Aan het woord was hier de psycholoog en filosoof William James. Het is al weer even geleden dat hij dit beeld van de verhouding tussen Europa en Amerika opriep, 1902 namelijk. William James was uitgenodigd in Edinburg de prestigieuze Gifford-Lectures te geven; hij zou met deze lezingen zo ongeveer de stichter worden van de godsdienstpsychologie. Ik geloof dat James oprecht was toen hij zijn gevoelens van schroom beschreef, maar er zit ook wel een wolkje ironie door gemengd. In 1902 was al een verschuiving op gang gekomen in de verhouding tussen Amerika en Europa, in een richting die ons de voorstelling van een Harvard-gemeenschap die aan de lippen hangt van Schotse, Franse en Duitse geleerden laat herkennen als iets uit een voorbije tijd.

William James, in 1902 net zestig, had zelf zijn vorming gekregen in een tijd dat wetenschap en filosofie een Europese oriëntatie hadden. Hij was op die vorming door de bijzondere omstandigheden van zijn opvoeding goed voorbereid. Het kapitaal van grootvader William James, vergaard door grondspeculatie bij de aanleg van het Eriekanaal, stelde drie, vier generaties James in staat tot een leven in de luwte van rente en dividend, de toekomstige psycholoog had zijn talen leren spreken dankzij Franse en Duitse gouvernantes en tussen zijn vijftiende en achttiende verbleef William met het hele gezin James in Frankrijk, Zwitserland, Duitsland en Engeland. Ook in zijn studententijd en later tijdens studiereizen bracht James veel tijd door in Europa. Hij maakte al reizend en hier en daar colleges volgend kennis met de meest uiteenlopende wetenschappelijke tradities. Hij trof in Frankrijk een psychologie aan met een sterke klinische oriëntatie, nauw verbonden met de psychiatrie en de methode van de gevalsstudie, en in Duitsland een psychologie die experimenteel was ingesteld en zich vooral richtte op elementaire waarnemingsprocessen. Zo raakte James vertrouwd met verschillende onderzoeksstijlen, wetenschappelijke culturen, intellectuele tradities, en hij verwierf die vertrouwdheid van binnenuit, omdat hij de talen van die tradities sprak.

Misschien heeft deze zwerflust meegebracht dat zijn werk later zo’n weldadig relativerend karakter kreeg. De reiziger komt te weten dat het elders anders is. Hij ziet, om maar iets te noemen, dat grenzen tussen disciplines niet overal op dezelfde manier getrokken zijn. In een notitie uit 1878 schrijft James dat filosofen, fysiologen en psychologen zich te vaak laten betrekken in grensgeschillen, waarbij elke discipline probeert de hekken van de ander zoveel mogelijk achteruit geplaatst te krijgen om zo het eigen gebied te vergroten. In zijn eigen werk, ging James verder, wilde hij zich opstellen als iemand die al het land in bezit heeft – ik citeer: ‘Hem kan het niets schelen waar de hekken komen te staan en als eigenaar van het hele land zal hij erop toezien dat iedere vierkante meter ervan bebouwd wordt.’ Zo schreef James verder aan een oeuvre waarin de hekken inderdaad meestal openstonden en waarvan de opbrengst was gevoed door wat hij had gehoord, gelezen en gezien in de intellectuele en wetenschappelijke tradities van de landen die hij had bereisd. Met William James was het werkelijk, met een titel van Bram de Swaan, ‘het lied van de kosmopoliet’, zijn werk heeft het vrolijke, het panoramische, het open karakter van iemand die meer van de wereld heeft gezien dan wat er thuis te vinden was.

Zou William James – ik maak even een sprongetje in de tijd – niet een schitterend voorbeeld zijn van wat we nu, aan de huidige Europese universiteiten, proberen te bereiken met ‘internationalisering’? Het antwoord luidt: nee. Ik zal mij in deze oratie nader verklaren.

Het perspectief dat ik daarbij zal innemen is dat van een historicus, tenslotte is de leeropdracht die ik vandaag namens het Archief- en Documentatiecentrum Nederlandse Psychologie de eer heb te aanvaarden die van ‘geschiedenis’, weliswaar slechts die van de psychologie (en daar zal ik mijn voorbeelden vandaag ook toe beperken), maar een historicus ziet de zaken graag in een groter verband. Sterker: een historicus die deugt voor zijn vak is om te beginnen al bijna een kosmopoliet, natuurlijk niet in geografische zin, historici zijn in mijn ervaring geen gedreven reizigers, maar in temporele zin: zij hebben conventies en culturen, stijlen en tradities zien komen en gaan, de relativering van de geografische kosmopoliet, het ‘elders is het anders’, heeft bij hen de vorm aangenomen van ‘ooit was het anders’ – en meestal niet eens zo heel lang geleden. Tegelijkertijd moet een historicus zijn plaats weten. Zijn positie heeft veel weg van die van een meteoroloog die klimaatsveranderingen onderzoekt: hij beseft dat hij van doen heeft met omvangrijke, meestal traag verlopende verschuivingen, die hij niet kan manipuleren, al kan hij wel de oorzaken en consequenties bestuderen.

Kosmopolitisme, de intellectuele versie ervan, staat voor waarden die ook die van de wetenschap behoren te zijn: nieuwsgierigheid, openheid, het verlangen de horizon te verbreden, het genoegen aan variatie, misschien zelfs het vermogen verschillende registers te bespelen (of tenminste te waarderen dat er verschillende registers zijn). Internationalisering is geen doel op zich, het is eerder het instrument dat de kosmopolitische instelling moet bevorderen. Internationalisering en kosmopolitisme verhouden zich als middel en doel. De vraag mag dan gesteld worden hoe de consequenties van internationalisering, bedoelde en onbedoelde, zich verhouden tot wat ermee beoogd wordt. Veel van wat nu in het kader van internationalisering wordt ondernomen, zoals studieverblijven aan buitenlandse universiteiten of de uitwisseling van docenten, zal inderdaad dat horizonverbredende effect hebben dat we met kosmopolitisme associëren. Maar er zijn naar mijn mening ook consequenties waarbij het middel zich tegen het verder gelegen doel keert. Ze liggen, zal blijken, vooral in het vlak van de taal en zijn samen verantwoordelijk voor wat ik maar heb aangeduid als ‘het verdriet van de kosmopoliet’.

Hier moet ik u direct even discreet terzijde nemen. Er bestaat een verschijnsel in de geheugenpsychologie dat ‘cryptomnesie’ heet. Dat betekent dat iemand kennis heeft genomen van een idee, een formulering, een titel, dit idee vervolgens weer vergeet en het later, als het hem opnieuw te binnenschiet, niet herkent als iets dat hij eerder van iemand anders heeft gehoord. Cryptomnesie is het bewaren van het bericht en het vergeten van de bron. Niemand is immuun voor cryptomnesie, het kan de beste overkomen. Ook iemand die heus zelf wel mooie titels kan verzinnen kan in alle argeloosheid met de titel van een ander op de proppen komen. Kort en goed: dat is mij overkomen. Op weg naar mijn werk, op de kop van de Korreweg, had ik de gelukkige inval dat ‘het verdriet van de kosmopoliet’ op passende wijze varieerde op ‘het lied van de kosmopoliet’ van Bram de Swaan. Tevreden mailde ik mijn vondst aan mevrouw Sibers. Nog diezelfde ochtend vroeg mijn trouwe uitgever, Patrick Everard, of die titel niet al eens gebruikt was. En jawel. Door De Swaan zelf. Hij schreef in 1985 in NRC-Handelsblad een artikel onder de titel ‘Verdriet en lied van de cosmopoliet’. Het is meer dan waarschijnlijk dat ik die titel toen al gezien heb. Dit verschijnsel heet dus geen plagiaat, maar cryptomnesie – vergeet niet dat u het van mij gehoord hebt.

In de zomer van 1999 ondertekenden 31 ministers van onderwijs in Bologna een akkoord over de hervorming van het Europese hoger onderwijs. Een belangrijk onderdeel van de zogeheten Bologna-verklaring was de invoering van de bachelor-master-structuur – ‘naar Engels model’, ziet men er vaak aan toegevoegd, ter bijlichting misschien van hen die dachten dat het uit Duitsland kwam. Die bachelor-master is in Nederland inmiddels ingevoerd. Voor het overige zijn de Bologna-akkoorden voor velen van ons lange tijd iets van veraf gebleven, ze drongen niet door in het dagelijks leven van de academicus. De eerste keer dat ik het gevoel kreeg dat deze ontwikkelingen nu wel heel dichtbij kwamen was na het lezen van een artikeltje in de UK vorig jaar. Daarin stond dat het Talencentrum van de Groningse universiteit bij de docenten economie en bedrijfskunde examens Engels had afgenomen en dat daarbij hoge zakpercentages vielen te betreuren op de onderdelen schrijf- en spreekvaardigheid. Hetzelfde Talencentrum dat deze docenten – helaas – had moeten laten zakken bleek ook cursussen in de aanbieding te hebben waarmee die vaardigheden bijgespijkerd konden worden – wat men wel een heel gelukkig arrangement mag noemen – zodat ik erop vertrouw dat deze deficiëntie nu wel zal zijn weggewerkt.

Mijn eerste associatie was er een van verbazing, vooral over de zakpercentages bij bedrijfskunde. Ik weet niet beter dan dat docenten daar hun studenten vertrouwd maken met human resource management en outplacement strategies voor people’s managers; dat, met andere woorden, het Nederlands daar al Engels is. Dat mensen die daar werken nog kunnen zakken voor hun Engels was wel een beetje raadselachtig. Maar mijn tweede associatie, ernstiger, was dat examens als deze ook duidelijk maken hoe ‘internationalisering’ opgevat moet worden, namelijk als anglisering. In de masterfase van de verschillende studies zal veel van het onderwijs in de toekomst in het Engels gegeven worden. Aan mijn eigen faculteit, die van de Gedrags- en Maatschappijwetenschappen, is al een lijst opgesteld van cursussen die in het Engels gegeven zullen worden; internationalisering betekent ook bij ons eigenlijk nooit dat – zeg – een Duitse collega lezingen of colleges in het Duits komt geven, het kan wel betekenen dat we op ons jaarlijkse Heymanssymposium aan Nederlandse sprekers voor een overwegend Nederlands gehoor vragen om Engels te spreken.

Dat internationalisering in de praktijk neerkomt op verengelsing geldt niet alleen voor de instructietaal. Ook de publicatietaal is in veel gevallen gedefinieerd als Engels. Het meest expliciet gebeurt dat in het protocol dat de VSNU hanteert bij onderzoeksvisitaties. Dit protocol onderscheidt tussen publicaties in het Engels en publicaties ‘in andere talen’. Een publicatie in het Nederlands is dus een publicatie in een ‘andere taal’, net als een publicatie in het Duits of het Frans. In de meeste beoordelingsprotocollen zoals die intern bij faculteiten gehanteerd worden krijgen internationale – opgevat als Engelse – publicaties een hoger puntenaantal toegekend. Hoe moeilijk mensen van buiten de universiteit dat ook in overeenstemming kunnen brengen met wat zij dachten dat de betekenis was van het woord ‘internationaal’, zo is het nu eenmaal: Duitse en Franse publicaties worden niet gehonoreerd als internationale publicaties. Dat is om te beginnen al een aspect van internationalisering dat je eerder als parochiaal dan kosmopolitisch zou moeten typeren.
Deze verengelsing – die in de praktijk van het wetenschappelijk bedrijf trouwens vooral neerkomt op veramerikanisering – heeft consequenties voor de positie van het Nederlands als wetenschapstaal, voor de positie van andere moderne talen, maar ook voor wat we in het Engels schrijven en doceren. Ik wil deze drieslag van effecten onderzoeken op hun verhouding tot het kosmopolitisme waar internationalisering, als beleid, op is gericht.

I Over de positie van het Nederlands als wetenschapstaal heeft de socioloog Dick Pels twee jaar geleden al eens een interessante discussie geïnitieerd. Hij pleit zelf voor een soort tweesporenbeleid: het op peil brengen van het Engels, ‘ons’ Engels, als voertaal in de internationale wetenschappelijke communicatie, onder gelijktijdige bescherming van het Nederlands als de taal waarin men zich thuis tot een breder geïnteresseerd publiek wendt. De bescherming schuilt erin dat deze Nederlandse publicaties in metingen van produktiviteit en kwaliteit niet meer categorisch achtergesteld mogen worden ten opzichte van publicaties in het Engels. Dat laatste is nu nog uitdrukkelijk het geval. Het recente KNAW-rapport over tweetaligheid in onder meer de gedrags- en maatschappijwetenschappen heeft aangegeven te betreuren dat academische bevorderingen, benoemingen en lidmaatschappen van onderzoeksscholen vrijwel uitsluitend gerelateerd zijn aan Engelstalige publicaties. Ook vergelijkingen tussen onderzoeksgroepen en uiteindelijk tussen universiteiten onderling zijn terug te voeren op deze outputmetingen. Pels maakt zich daar zorgen over, net als ik, en samen zijn we in het goede gezelschap van de KNAW.

Die zorgen zijn divers van aard en omvang. De socioloog Schuyt heeft al eens de paradox gesignaleerd dat we de tweede generatie allochtonen dwingen Nederlands te leren, terwijl diezelfde taal aan de universiteit aan betekenis begint te verliezen. Een verzwakking van de positie van het Nederlands in het hoger onderwijs zal met zich meebrengen dat we ergens halverwege de universiteit ophouden bij te dragen aan een verdere integratie van studenten met een allochtone achtergrond.
Maar voor alle studenten zal Engels als instructietaal nadelig uitpakken. Delfts onderzoek naar Engelstalige hoorcolleges van Nederlandse docenten becijferde het kwaliteitsverlies aan de zijde van de docenten op 15 procent. Aan de zijde van de studenten kwam daar nog eens 15 procent bij. Het cumulatief effect betekent een fors slechter hoorcollege. ‘Maar daarom juist die Engelse les voor docenten!’, hoor ik nu iemand denken. Denkfout. Want opgevat als het verschil tussen moedertaal en tweede taal is 15 procent heel gering en het zal niet eenvoudig zijn daar nog een drastische vooruitgang in aan te brengen. We moeten die Delftse docenten en studenten juist feliciteren met hun taalvaardigheid.

Zorgen zijn er ook over de marginalisering van Nederlandse vaktijdschriften, waar redacties moeite hebben universitaire medewerkers nog tot het schrijven van Nederlands werk te stimuleren. In dit proces zal het verengelsen van de instructietaal als katalysator werken. Onderwijs in het Engels betekent ook dat je alléén Engelstalige literatuur voor kunt schrijven, een verschraling ten opzichte van de situatie dat je nog kon kiezen tussen Nederlandse en Engelse literatuur. Het zal de stimulans om Nederlandse teksten voor onderwijs te schrijven uithollen.

Hoe verschralend en parochiaal zulke ontwikkelingen kunnen uitpakken blijkt als men zich realiseert dat wat hier voor het Nederlands is gezegd, ook in andere landen voor de landstaal geldt. Als van – zeg – de Deense universiteiten terwille van de internationalisering wordt gevraagd hun curriculi in het Engels aan te bieden, zal de student die naar Kopenhagen komt gereisd daar niet zozeer de Deense cultuur voor zich geopend zien als wel de Deense keuze uit de Engelse literatuur. Ik kom bijna in de verleiding de Denen vanaf deze plek op te roepen toch vooral óók in het Deens te blijven schrijven en doceren.

Maar het zorgelijkste effect van de tweedeling Engels-voor-collega’s en Nederlands-voor-leken is dat al snel ook een tweedeling in status ontstaat, zeker als die tweedeling zich herhaalt op het niveau van het onderwijs in de bachelor- en de masterfase. Engels zal associaties oproepen met echte wetenschap, toponderzoek, cutting edge science – je gaat er haast automatisch Engels van spreken; Nederlands zal staan voor populair, journalistiek, tweede garnituur. Die kant moet het niet op. Het is waar dat grote delen van de psychologie een dermate technisch en gespecialiseerd karakter hebben dat daar alleen zinvol binnen internationale netwerken van collega’s over gecommuniceerd kan worden en het is inmiddels niet meer dan logisch dat dat in het Engels gebeurt. Maar er zijn ook delen van de psychologie die in hun onderzoek en theorievorming veel dichter bij lekenopvattingen en relatief duidelijke maatschappelijke verschijnselen blijven en waarover publicaties in andere media dan het Engelstalige refereed journal meer voor de hand liggen. Deze publicaties vallen niet buiten de wetenschap, maar zijn wetenschap op een andere plek.

Voorbeeldig in dit opzicht vind ik het werk van onze collega’s in de rechtspsychologie, zoals Crombag en Merckelbach in Maastricht en Wagenaar en Van Koppen in Leiden. Zij hebben zich de laatste jaren als getuige-deskundigen, als leden van adviescommissies en als auteurs van artikelen en boeken gemengd in kwesties die opdoken in de Nederlandse rechtsgang: problemen met ooggetuigeverklaringen, de veronderstelde bewijskracht van bekentenissen, de invloed van traumatische belevenissen op herinneringen, de status van ‘hervonden herinneringen’, de invloed van suggestie tijdens therapie of hypnose en een reeks van andere onderwerpen op het snijpunt van recht en psychologie. Men kan niet zeggen dat zij hun wetenschap bedreven in het laboratorium en het vervolgens ‘vertaalden’ of ‘populariseerden’ voor een breed publiek, het is eerder het type wetenschap dat tot stand komt in interactie met een praktijk waarbij nu eenmaal een groter publiek is betrokken. Boeken als Dubieuze zaken of Hervonden herinneringen spelen nu een rol in politieopleidingen en rechtenstudie en zijn een overtuigende bijdrage van de psychologie aan een betere inrichting van de rechtsgang. Dit is wetenschap van hoog niveau, in het Nederlands, op andere podia dan het vaktijdschrift en het zou bizar zijn het vanwege datzelfde Nederlands op welke wijze dan ook minder te honoreren.

Overigens hebben deze rechtspsychologen elk ook een lange lijst van Engelstalige publicaties op hun naam; het cruciale punt is hier dat oordelen over de kwaliteit van hun werk zich niet als vanzelfsprekend mogen opdelen langs de lijnen van de taal waarin het is geschreven.

II Wat zal internationalisering – de tweede vraag – betekenen voor andere moderne talen, in de Nederlandse verhoudingen vooral Duits en Frans?
Het afgelopen jaar heeft het tijdschrift van het AMC, het AMC-Magazine, mij gastvrijheid geboden voor een vijftiendelige serie over eponiemen in de hersenwetenschap. Eponiemen zijn zaken die naar personen zijn vernoemd, zoals het gebied van Broca, het Korsakovsyndroom, de Purkinjecel of de ziekte van Alzheimer. Bijna altijd is de vernoeming als een eclips voor de historische persoon geschoven: niemand denkt bij ‘Parkinson’ nog aan de toegewijde huisarts James Parkinson die rond 1800 praktijk voerde in een van de armste wijken van Londen en als eerste de naar hem genoemde ziekte beschreef. Ook ‘Gilles de la Tourette’ verwijst al lang niet meer naar de Parijse psychiater die in 1885 zijn gevalsstudies publiceerde over de merkwaardig springerige motoriek en vocale uitbarstingen die bij deze stoornis horen. Ik begon die serie aanvankelijk om ook in het weekend iets om handen te hebben – ik heb geen hobbies – maar gaandeweg werd het wat meer en in de herfst van volgend jaar hoop ik een boek gereed te hebben over wat het in de hersenwetenschap nu eigenlijk betekent iets te ontdekken of, wat niet helemaal hetzelfde is, als ontdekker erkend te worden.

Min of meer tot mijn eigen verbazing stelde ik aan het eind van de serie vast dat die vijftien eponimisten niet minder dan negen verschillende nationaliteiten telden en dat ik hun werk toch stuk voor stuk in de oorspronkelijke publicaties had kunnen lezen. Dat ligt niet aan mijn talenkennis, tenminste niet alléén daaraan. Parkinson schreef uiteraard Engels. Alzheimer en Brodmann schreven Duits, evenals de Oostenrijker Asperger. Broca, Capgras, Clérambault, Gilles de la Tourette en de Zwitser Bonnet schreven Frans. Maar onder de eponimisten zat ook een Japanner, Guan Wada, die de Wadatest ontwierp waarbij beurtelings de linker- en de rechterhersenhelft verdoofd worden zodat de uitval van functies vastgesteld kan worden; verder was er nog een Tsjech, Evangeliste Purkinje, van de Purkinjecel en de Purkinjeverschuiving, en er was een Rus, de neuroloog Sergei Korsakov. Ik lees geen Japans, Tsjechisch of Russisch. De reden dat ik toch hun oorspronkelijke werk kon lezen is dat zij zich hebben bediend van talen die vanouds een sterke positie als tweede taal hadden en daardoor een schakelfunctie vervullen. Toen Korsakov in de jaren zeventig van de negentiende eeuw het gymnasium van Moskou bezocht leerde hij daar Duits en Frans als tweede taal, in die talen heeft hij later veel gepubliceerd en omdat ik honderd jaar later op de Christelijke HBS in Leeuwarden diezelfde talen kreeg onderwezen kan ik mij nu toegang verschaffen tot het gedachtengoed van een neuroloog uit een ver land en een ver verleden.

Bram de Swaan heeft in zijn boek Woorden van de wereld aangegeven dat er een soort uitspansel van talen bestaat met een sterk hiërarchisch patroon. Onder de circa 6000 talen die bestaan zijn er maar zo’n honderd die als centrale, schriftelijke, officiële taal fungeren en samen door zo’n 95 procent van de mensheid gehanteerd worden. Van die honderd zijn er een dozijn die door meer dan honderd miljoen mensen gesproken worden, zoals Arabisch, Japans, Russisch of Spaans. Daarbovenuit steekt dan het Engels als de taal van de mondiale communicatie. Duits en Frans behoren tot de talen net onder de top, voor velen de moedertaal, voor velen ook de tweede taal, met de schakelfunctie die daar bij hoort.

Nu zou men hieruit het argument kunnen construeren dat het er voor onderzoekers blijkbaar op aan komt zich net als eertijds Purkinje en Korsakov een tweede taal eigen te maken, liefst allemaal dezelfde, Engels, zodat iedereen via deze lingua franca toegang kan krijgen tot wat er aan onderzoek wordt geproduceerd. Maar zelfs al zou het zover komen en zelfs al zou het alleen maar voordelen brengen – wat ik bestrijd – dan nog blijft waar dat het verleden van de wetenschappen zijn neerslag heeft gekregen in de talen die gebruikt werden toen deze wetenschappen tot ontwikkeling kwamen. Naast het Engels waren dat vooral Frans en Duits. Een verrregaande anglisering van de universiteit zal op het VWO, Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs tenslotte, een neerwaartse druk op Frans en Duits veroorzaken. Daarmee komt de bevoorrechte positie in gevaar van Nederlanders die door hun toegang tot verschillende talen kunnen intermediëren tussen de intellectuele tradities van een paar grote, rijke en oude taalgebieden.

Schakels tussen talen zijn ook schakels tussen tijdperken. De beperking tot Engels zal langzaam het deksel laten zakken over een uitwisseling over grote historische afstanden. Meer Engels opent niet alleen nieuwe werelden, maar sluit ook oude af. Het gevolg daarvan mag je wel bijna georganiseerd geheugenverlies noemen. Als we voor het gemak het geheel van publicaties in een wetenschap en de inhoud van wetenschappelijke archieven opvatten als het collectief geheugen van die wetenschap, komt verlies van toegang op hetzelfde neer als vergeten. De sporen zijn er wel, latent, maar zijn niet meer te activeren. Dit betekent de geleidelijke verdwijning van vergelijkingspunten, ijkpunten, variatie, van de blik die ruimer is dan het hier en nu, het verlies, kortom, van kosmopolitisme in historische zin.

III Wat betekent het stimuleren van Engelstalig publiceren – de derde vraag – eigenlijk voor die publicaties zelf?

Psychologie is een veelzijdig vak. In één jaargang van het American Journal of Psychology kan men constateren dat psychologen zich bezighouden met zulke geschakeerde onderwerpen als dromen, oogbewegingen, aandacht, het aanleren van complexe bewegingen, geurassociaties, auditieve gewaarwordingen en rekenonderwijs. En dit is dan nog maar de jaargang 1905, honderd jaar later is de diversiteit alleen maar toegenomen. Maar wie een recente jaargang van ditzelfde American Journal of Psychology ter hand neemt ziet ook dat sommige vormen van variatie juist afgenomen zijn. De jaargang 1905 bevat een bont palet van genres. Er zijn verslagen bij van experimenteel onderzoek, theoretische artikelen, overzichtsartikelen, beschouwelijke stukken, essays, en al deze artikelen hebben van hun auteur de compositie, toon en vormgeving gekregen die passen bij het genre en het onderwerp. Het is precies deze individuele vormgeving die elk van de artikelen uit 1905 kansloos zou maken als het nu bij het American Journal of Psychology zou worden ingediend. Aan de ingang van de belangrijkste psychologische vakbladen staat namelijk het APA-Publication Manual, dat een uiterst strikte codificering heeft opgelegd aan wat in APA-tijdschriften kan verschijnen.

De taalkundige Bazerman heeft gedocumenteerd hoe het APA-Manual deze poortwachterachtige positie heeft gekregen. In 1929 verscheen voor het eerst een publicatiehandleiding. Deze telde nog geen zeven pagina’s en bevatte in relatief algemene termen gestelde aanwijzingen, vooral bedoeld als goede raad, bijvoorbeeld dat door een logische indeling het gebruik van tussenkopjes beperkt kan blijven. Ook de handleiding van 1944 (32 pagina’s) heeft nog deze pedagogische inslag en richt zich op ‘de jongere leden van de professie, waarvan velen voor het eerst iets schrijven dat gepubliceerd zal worden.’ Maar in het Manual van 1952 (61 pagina’s) hebben de aanwijzingen plaatsgemaakt voor voorschriften, de adviezen voor eisen, en begint de handleiding dus te veranderen in een standaard. In 1974 (132 pagina’s) en 1983 (200 pagina’s) heeft deze standaard al in grote trekken de vorm van de huidige vierde editie: 368 pagina’s directieven voor compositie, stijl, interpunctie, verwijzing, volgorde, spelling, citaat, kopjes, tussenkopjes, opmaak, etcetera.

Een standaard is handig. Een uniforme indeling vergemakkelijkt het snel scannen van een artikel op bruikbaarheid. Een gedetailleerde matrijs voor het schrijven maakt het ontwerpen van overgangen, het bedenken van kopjes en nog tientallen van dat soort persoonlijke beslissingen overbodig. Het APA-Manual neemt de auteur veel denkwerk uit handen. Bovendien is bij experimenteel onderzoek al veel denkwerk aan de verslagfase voorafgegaan. Maar een standaard is niet alléén maar handig, hij dirigeert ook: hij dirigeert de auteur, de lezer en via deze twee uiteindelijk ook het onderzoek. Bazerman laat zien dat de APA-standaard vorm kreeg tijdens de opkomst en hoogtijdagen van het behaviourisme en ook de presentatie van juist dat type onderzoek faciliteerde, onderzoek dus dat bestond uit de accumulatie van experimenteel verkregen bevindingen. Bij dit onderzoek lopen de vakjes ‘selectie proefpersonen’, ‘aantal proefpersonen’, ‘geslacht en leeftijd proefpersonen’, ‘toewijzing condities’, ‘demografische samenstelling’ en al die andere specificaties als vanzelf vol. Omgekeerd ontstaat bij auteurs de natuurlijke tendens het onderzoek zo in te richten dat het aansluit bij de wijze waarop er over gerapporteerd zal worden. Deze bevoordeling en wederzijdse versterking van één specifieke onderzoeksstijl en rapportagestijl heeft niets meer te maken met de neutraliteit die men vaak met een standaard associeert.

Het APA-Manual, zei ik, neemt de auteur veel denkwerk uit handen – en dat is ook precies het probleem ermee. Door het wegnemen van beslissingen die ‘des schrijvers’ zijn, zoals de keuze van voor- en achtergrond, volgorde, overgangen of de keuze van kopjes, is ook de noodzaak verdwenen zich al schrijvend als het ware door een probleem heen te denken. Wie heeft niet de ervaring gehad dat zoiets simpels als de keuze van een kop voor een paragraaf ertoe leidde dat je moest constateren dat die paragraaf eigenlijk twee thema’s bevatte en beter gesplitst kon worden? Of dat het schrijven van een overgang duidelijk maakte dat een andere indeling logischer was? Schrijven helpt het denken, maar alléén als het werkelijk schrijven is. Als deze analyse steekhoudt heeft dat ook consequenties voor de wijze waarop we onze studenten opleiden. Bij een betrekkelijk massale opleiding als psychologie, met in Groningen nu al jarenlang een instroom van tussen de vier- en vijfhonderd eerstejaars, zullen studenten verhoudingsgewijs nog weinig schrijfervaring hebben opgedaan tegen de tijd dat ze aan hun bachelorthese beginnen. De slechtste dienst die we onze studenten kunnen bewijzen is dat we ze op dat kritieke punt bij het schrijven een matrijs aanreiken waarvan het verraderlijke gemak er juist uit bestaat dat ze over zoveel dingen niet hoeven na te denken.

Gemak, van een even verraderlijk soort, heeft de laatste jaren al aanwijsbaar een rol gespeeld bij het tellen en wegen van wetenschappelijke publicaties. Mijn collega Dehue heeft aan de hand van de vorige VSNU-onderzoeksvisitatie psychologie, die van 1999, aangetoond dat het Leidse Centrum voor Wetenschaps- en Technologie Studies, waaraan de berekening van de ‘impact’ van de wetenschappelijke produktie meestal wordt uitbesteed, in haar tellingen beslissingen heeft genomen die sterk ten nadele van bepaalde publicatieculturen en onderzoeksstijlen uitpakken. Een van die beslissingen is om alleen citaties in artikelen te tellen, van overwegend Amerikaanse tijdschriften, om citaties naar boeken buiten beschouwing te laten, zelfs al zijn het citaties in artikelen, en de boeken zelf, net als hoofdstukken in boeken of boekbesprekingen geheel buiten de telling te laten. Het is niet nodig hier haar analyse te herhalen. Ze argumenteert dat de sciëntometrische methoden het soort wetenschap creëren dat ermee gemeten kan worden, een vergelijkbare zichzelf versterkende cyclus als bij het APA-Manual. De voorspelling van het CWTS ‘Het natuurwetenschappelijk publicatiemodel wordt dominant’ karakteriseert Dehue effectief als een quasi-voorspelling van hetzelfde type als, ik citeer: ‘De nieuwe kleur wordt blauw’ in een Elle Mode vol met blauwe kleding.’ Dehue komt de eer toe bijna single handedly het denken over de bruikbaarheid van citatietellingen als maat voor wetenschappelijke kwaliteit in Nederland te hebben laten kantelen. Het in 2003 verschenen KNAW-rapport Nederlands, tenzij… waarschuwt nu met zoveel woorden tegen ‘bibliometrisch simplisme’. Haar artikel in de Academische Boekengids, ‘Alle boeken de wetenschap uit; om te beginnen die in het Nederlands’ is inmiddels een citatieklassieker – al is dat misschien een ironisch eerbewijs.

In Nederland is zo dus een begin van alertheid ontstaan. Het is de vraag of die er in internationaal verband ook zal zijn. Het afgelopen mei aan de KNAW uitgebrachte advies Judging research on its merits, onder eindredactie van Blockmans en Hofstee, toont een grote sensitiviteit voor de vertekenende effecten van veelgebruikte evaluatie-instrumenten, op het punt van eenzijdige bevoordeling van type publicaties en type onderzoek. Maar uit datzelfde rapport blijkt ook hoe taai het gebruik van juist die meetinstrumenten is, hoe lang ze nog op de werkvloer gehanteerd worden en hoe haaks ze kunnen staan op de uitkomst van het meer kwalitatief georiënteerde oordeel. Juist tegen een achtergrond van uniformering en harmonisering zal de verleiding groot zijn om beoordelingen te laten afhangen van dat deel van de wetenschappelijke produktie dat het gemakkelijkst voor zuiver kwantitatieve beoordeling toegankelijk is, te weten: artikelen in vaktijdschriften. Dat er buiten die vaktijdschriften nog tal van genres en media zijn waarin psychologie van wetenschappelijk niveau wordt bedreven loopt het gevaar als een hinderlijke vorm van diversiteit genegeerd te worden. Opnieuw: het effect is een afname van variatie, een versmalling van registers, een vernauwing die op gespannen voet staat met het kosmopolitische verlangen naar openheid en verbreding.

Geachte toehoorders,

Ik heb mijn zorgen met u gedeeld over de averechtse effecten die het internationaliseringbeleid kan hebben op wat men er juist mee hoopt te bereiken: kennismaking met andere culturen, denkstijlen en tradities, de appreciatie van variatie, de ruimere blik. Via de zojuist beschreven mechanismen kan internationalisering ook leiden tot gelijkschakeling, uniformering, afname van diversiteit. Die mechanismen zijn niet altijd inherent met internationalisering verbonden: tenslotte dwingt niemand de psychologen hun beoordelingsinstrumenten zo af te stellen als ze zijn afgesteld. Ze zijn er wel vaak de facto mee verbonden en ze worden er ook door gefaciliteerd. Vast staat dat internationalisering heel veel meer Engels zal betekenen en meer dan waarschijnlijk een overeenkomstige versmalling van de kennis van andere moderne talen. Het zal ook betekenen dat we veel Engels te horen en te lezen zullen krijgen van mensen voor wie Engels niet de moedertaal was. Dat zal niet altijd een genoegen zijn: de meeste mensen die niet Engelstalig zijn grootgebracht spreken nu eenmaal Engels zoals iemand zingt die een koptelefoon opheeft.

Als u zegt: ach, dat harmoniseren en uniformeren van zoiets ingewikkelds als al die nationale academische organisaties, dat loopt niet zo’n vaart – dan hebt u misschien wel gelijk. Iedere reiziger door Duitsland, Frankrijk en Engeland kan nog dagelijks vaststellen dat het de afgelopen honderd jaar met zoiets simpels als stopcontacten tenminste niet gelukt is. Maar laten we bij wijze van gedachte-experiment eens aannemen dat het visioen toch gerealiseerd is. Alle problemen van de overgangsfase zijn achter de rug. Er zijn geen overbelaste onderwijsbureaus en examencommissies meer die allerlei exotische certificaten en getuigschriften uit Slovenië of Hong-Kong moeten beoordelen. Docenten vinden in de collegebanken geen Roemenen of Chinezen meer die het Engels amper machtig zijn. Dat alles is voorbij. Studenten reizen nu vrijuit in de Republiek der Letteren. Ze bedienen zich van hetzelfde eloquente, vloeiende en verzorgde Engels dat ze hun docenten met zoveel bewondering in de masterfase hebben horen hanteren. Ze reizen naar de schitterende universiteiten van Rome, Madrid, Cambridge, Groningen, ze reizen met dat prachtige Engels van ze naar Duitsland en Frankrijk.

Frankrijk?!

Jazeker, Frankrijk. Want we redeneren nu vanuit de voltooiing van het visioen en dan moet zich ook in Frankrijk iets hebben afgespeeld, iets dat nu nog aan de uiterste grens van ons voorstellingsvermogen ligt, iets dat ook de Fransen heeft bewogen zich in een angelsaksisch bestel te voegen. Misschien heeft een van de leden van de Académie Française of de Académie des Sciences op een dag gezegd: ‘Mijn heren, dames, het gaat toch de kant van Engels op…’ en hebben de andere leden bedachtzaam geknikt en intuïtief aangevoeld dat dit argument inderdaad volkomen beslissend is. Misschien hebben al die Franse onderzoekers en geleerden uiteindelijk ingezien hoe intens provinciaal het is om altijd maar in het Frans te schrijven.

U voelt wel aan: dit zal niet gebeuren. En eerlijk gezegd heb ik mijn hoop ook wel een beetje gevestigd op de mentaliteit die daaruit spreekt: trots op de eigen taal, op wat daarin door eerdere generaties is gedacht en geschreven, op wat er ook nu nog gemakkelijker in uitgedrukt kan worden, simpelweg omdat het de taal is waarin je hebt leren denken.

Een van mijn gewaardeerde leermeesters aan deze universiteit, Hofstee, vertelde me dat een van zijn leermeesters, Kouwer, in de jaren vijftig van een studieverblijf in Parijs was teruggekeerd met twee nieuwigheden: de factoranalyse en het existentialisme. Dit vat veel van wat ik bedoel samen. Je reist, zoals ooit William James, in de hoop dat je elders iets vindt dat er thuis niet is. Daarom moet óók de variatie, het eigenaardige, het lokale gekoesterd worden. Bij alle pogingen die we doen om een kosmopolitische instelling te bevorderen moeten we oppassen dat we niet ongemerkt de wereld laten verdwijnen waarin men kosmopoliet kan zijn.

Literatuur

American Psychological Association. Publication Manual of the American Psychological Association (4th. ed.), Washington 1994.
C. Bazerman,Shaping written knowledge. The genre and activity of the experimental article in science, Wisconsin 1998.
http://wac.colostate.edu/books/bazerman_shaping/
G.C.G. Dehue, ‘Alle boeken de wetenschap uit; om te beginnen die in het Nederlands’, Academische Boekengids, 23 (2000), 10-11.
www.academischeboekengids.nl/abg/do.php?a=show_visitor_artikel&id=169&print
W. James,Varianten van religieuze beleving, Zeist 1963.
Judging research on its merits. An advisory report by the Council for the Humanities and the Social Sciences Council, Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Amsterdam 2005. www.knaw.nl/publicaties/pdf/20031001.pdf
Nederlands, tenzij… Tweetaligheid in de geestes- en de gedrags- en maatschappijwetenschappen. Rapport van de Commissie Nederlands als wetenschapstaal, Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Amsterdam 2003. www.knaw.nl/publicaties/pdf/20051029.pdf
D. Pels, ‘Voertaal: Engels! Over de toekomst van het Nederlands als wetenschapstaal’, Facta, 6 (2003), 4-8.
C.J.M. Schuyt, ‘De problematiek in de gamma-wetenschappen’, in: T. Koopman (red.), De toekomst van het Nederlands als wetenschapstaal, Amsterdam 1995.
A. de Swaan, Woorden van de wereld. Het mondiale talenstelsel, Amsterdam 2002.
D. Vinke, English as medium of instruction in Dutch engineering education, Delft 1995.